Onze Vader Die in de Hemelen zijt,
Uw Naam worde geheiligd;
Uw Koninkrijk kome;
Uw wil geschiede,
gelijk in de Hemel alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schulden,
gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren;
en leid ons niet in verzoeking,
maar verlos ons van de Boze.
Want van U is het Koninkrijk
en de kracht en de heerlijkheid
tot in eeuwigheid.
Amen.
Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want Ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast Mij. Voor de schuld van de ouders laat Ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze Mij haten; maar als ze Mij liefhebben en doen wat Ik gebied, bewijs Ik hun Mijn liefde tot in het duizendste geslacht.
Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie Zijn naam misbruikt laat Hij niet vrijuit gaan.
Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen. Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er in leeft, en op de zevende dag rustte Hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard.
Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal.
Pleeg geen moord.
Pleeg geen overspel.
Steel niet.
Leg over een ander geen valse getuigenis af.
Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.
1Op zondagmorgen vroeg gingen ze meteen naar het graf. Ze hadden de speciale kruiden bij zich.
2Maar ze ontdekten dat de steen voor de ingang was weggerold.
3Toen ze naar binnen stapten, zagen ze dat het lichaam van de Here Jezus er niet meer was.
4Ze wisten niet wat ze daarmee aan moesten. Plotseling waren er twee mannen bij hen, in blinkende kleren.
5De schrik sloeg de vrouwen om het hart en ze bogen zich diep neer. De mannen vroegen: "Waarom komt u in een graf zoeken naar de Levende?
6Hij is hier niet. Hij leeft weer! Herinnert u zich niet wat Hij heeft gezegd toen u nog met Hem in Galilea was?
7Hij zei immers dat Hij door verraad in de handen van slechte mensen zou vallen en door hen gekruisigd zou worden. Maar ook dat hij op de derde dag uit de dood zou opstaan."
8-9 Zij herinnerden zich dat Hij dat inderdaad had gezegd. Ze holden terug naar Jeruzalem om aan Zijn elf discipelen en al de anderen te vertellen wat er gebeurd was.
U zij de glorie, opgestane Heer!
U zij de victorie, nu en immermeer.
Uit een blinkend stromen daald' een engel af,
heeft de steen genomen van 't verwonnen graf.
U zij de glorie, opgestane Heer!
U zij de vitorie, nu en immermeer.
Ziet Hem verschijnen, Jezus onze Heer!
Hij brengt al de zijnen in zijn armen weer.
Weest dan volk des Heren, blijd'en welgezind
en zegt telkenkere: "Christus overwint!"
U zij de glorie, opgestane Heer!
U zij de vitorie, nu en immermeer.
Zou ik nog vrezen, nu Hij eeuwig leeft,
die mij heeft genezen, die mij vrede geeft.
In Zijn Godd'lijk Wezen is mijn glorie groot,
niets heb ik te vrezen in leven en dood.
U zij de glorie, opgestane Heer!
U zij de vitorie, nu en immermeer.
1-2 Jezus bracht de nacht door op de Olijfberg. De volgende morgen was Hij alweer vroeg in de tempel. De mensen kwamen om Hem heen staan en luisterden naar Hem.
3De godsdienstleraars en Farizeeërs brachten een vrouw bij Hem, die op overspel was betrapt. Zij duwden haar midden in de kring en zeiden:
4"Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl zij overspel pleegde.
5In de wet van Mozes staat dat wij zo'n vrouw moeten stenigen. Wat is Uw mening?"
6Zij waren erop uit Hem in de val te laten lopen. Dan zouden zij een reden hebben om Hem aan te klagen. Jezus ging op Zijn hurken zitten en schreef met Zijn vinger in het stof.
7Toen zij bleven aandringen, stond Hij op en zei: "Laat hij die zelf nooit zondigt, de eerste steen maar gooien!"
8Hij hurkte opnieuw en begon weer te schrijven.
9Na deze woorden dropen de mannen één voor één af, de leiders het eerst. Jezus bleef alleen met de vrouw achter.
10Hij stond op en vroeg: "Waar is iedereen? Heeft niemand u veroordeeld?"
11"Nee, Here", antwoordde zij. "Wel", zei Jezus, "Ik veroordeel u ook niet. Ga maar en doe vanaf nu geen slechte dingen meer."
12Jezus richtte Zich weer tot de mensen en zei: "Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt, zal nooit in het donker rondtasten, maar leven in het licht."
45Van twaalf tot drie uur hing er een dichte duisternis over het hele land.
46Om ongeveer drie uur riep Jezus: "Eli, Eli, lama sabachtani?" Dat betekent: "Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?"
47Sommigen van de mensen die daar stonden, hadden het niet goed verstaan.
48Zij dachten dat Hij om Elia riep. Eén van hen haalde vlug een spons, liet er zure wijn intrekken en stak die op een stok. Hij hield die omhoog en liet Jezus ervan drinken.
49Maar de anderen zeiden: "Wacht! Laten we eens zien of Elia Hem komt redden."
50Opnieuw gaf Jezus een luide schreeuw en Hij stierf.
51Op hetzelfde moment scheurde het zware gordijn voor de heilige plaats in de tempel (b) van boven naar beneden in tweeën. De aarde sidderde en de rotsen scheurden.
52Graven gingen open en vele gelovige mannen en vrouwen, die gestorven waren, werden weer levend.
53Na de opstanding van Jezus verlieten zij de begraafplaatsen en gingen naar Jeruzalem. Daar werden zij door vele mensen gezien.
54De commandant en zijn soldaten die bij het kruis waren, schrokken vreselijk van de aardbeving en alle andere dingen die er gebeurden. "Deze man was werkelijk de Zoon van God!" riepen ze uit.
En velen die al dood en begraven zijn, zullen opstaan. Sommigen zullen eeuwig leven ontvangen, anderen zullen afgewezen worden en eeuwige schande ondervinden.
1Vroeg in de morgen kwamen de leden van de Hoge Raad bijeen om te overleggen wat hun te doen stond. Zij besloten Jezus naar Pilatus, de Romeinse gouverneur, te brengen. Enkele soldaten boeiden Hem en namen Hem mee.
2Pilatus vroeg Hem: "Bent U de koning van de Joden?" Jezus antwoordde: "U zegt het."
3De leidende priesters begonnen Hem van allerlei dingen te beschuldigen.
4"Wat hebt U op al die beschuldigingen te zeggen?" vroeg Pilatus. "Waarom geeft U geen antwoord?"
5Tot zijn verbazing bleef Jezus echter zwijgen.
6Pilatus had de gewoonte met Pasen een gevangene vrij te laten. De mensen mochten zeggen wie.
7Nu zat er een zekere Barabbas gevangen, een rebel. Hij was met enkele anderen opgepakt omdat ze bij een oproer een moord hadden begaan.
8Een grote groep mensen drong op Pilatus aan en vroeg hem een gevangene vrij te laten.
9"Moet ik de koning van de Joden loslaten?" zei hij, want hij begreep wel dat dit geen eerlijke zaak was.
10De leidende priesters hadden Jezus laten arresteren omdat zij jaloers op Hem waren.
11Zij stookten de mensen op om de vrijlating van Barabbas te eisen.
12"Maar wat moet ik dan doen met de man die jullie de koning van de Joden noemen?" vroeg Pilatus.
13"Aan het kruis met Hem!" schreeuwden zij terug.
14Pilatus vroeg: "Wat heeft Hij dan voor kwaad gedaan?" Maar zij schreeuwden nog harder: "Sla Hem aan het kruis!"
15Pilatus besloot de mensen hun zin te geven en liet Barabbas vrij. Hij gaf de soldaten bevel Jezus te geselen en weg te brengen om aan het kruis opgehangen te worden.
1Ik zeg u daarom, broeders, dat u zich helemaal aan God moet wijden. Temeer omdat Hij u al Zijn liefdevolle goedheid aanbiedt. Laat uw lichaam een levend offer zijn; heilig, zodat het een vreugde voor God is. Als u zich bedenkt wat Hij voor u heeft gedaan, is dat toch niet teveel gevraagd?
2U moet niet worden als de mensen die zich niets van God aantrekken. U moet anders worden, door een nieuwe manier van denken. Dan kunt u ontdekken wat God wil. En wat Hij wil, is goed, aangenaam en volmaakt.
3Als Gods boodschapper zeg ik tegen ieder van u: Beoordeel uzelf eerlijk en denk niet te hoog van uzelf; bepaal uw eigen waarde naar de mate van het geloof dat u van God ontvangen hebt.
4Een menselijk lichaam bestaat uit vele delen en die delen doen niet allemaal hetzelfde. Zo is het ook met ons.
5Al zijn we met velen, door onze verhouding tot Christus vormen wij één lichaam. En wij zijn stuk voor stuk leden van dat lichaam. Wij horen bij elkaar.
6De gaven die God ons heeft gegeven, zijn verschillend.
7Wie namens God moet spreken, doet dat naar het geloof dat hij daarvoor krijgt. Wie moet helpen, krijgt daar de kracht voor. Wie moet onderwijzen, krijgt de gave om te onderwijzen.
8Wie anderen moet aansporen en bemoedigen, krijgt daar de woorden voor. Wie iets moet uitdelen, krijgt de gave om eenvoudig te blijven. Wie leiding moet geven, krijgt daar de wijsheid voor. Wie zich ontfermt over mensen die het moeilijk hebben, doet dit met opgewektheid.
9Laat uw liefde geen schijnvertoning zijn. Keer u af van het slechte, maar klem u vast aan het goede.
10Houd veel van elkaar, als broeders en zusters, en laat elkaar uw waardering blijken.
11Laat uw ijver niet verslappen, maar dien de Here met enthousiasme.
12Wees blij, want God gaat iets geweldigs voor u doen. Geef niet op als u het erg moeilijk krijgt en houd nooit op met bidden.
13Help de gelovigen die tegenslag hebben en doe altijd uw best om gastvrij te zijn.
14Wens de mensen die u vervolgen alle goeds toe. U moet hun niets kwaads toewensen.
15Wees blij als anderen blij zijn en wees verdrietig als zij verdrietig zijn.
16U moet één van hart en ziel zijn. Wees niet hoogmoedig, maar doe uw best nederig te zijn. Doe niet of u de wijsheid in pacht hebt.
17Als iemand u kwaad doet, zet het hem dan niet betaald. Doe liever iets goeds voor alle mensen.
18Probeer, voor zover het van u afhangt, met iedereen in vrede te leven.
19Neem nooit wraak, vrienden! Laat dat maar aan God over, want Hij heeft gezegd: "Als er gestraft moet worden, doe Ik dat. Ik zal het wel betaald zetten." (a) Weet u wat u moet doen?
20Als uw vijand honger heeft, geef hem te eten. En als hij dorst heeft, geef hem te drinken. Want dan weet hij met zijn houding geen raad en zal hij misschien een andere houding aannemen.
21Geef het kwaad geen kans, maar overwin het door het goede te doen.
* Kerntekst: 'Maar Jezus zei helemaal niets meer, tot verwondering van Pilatus.' Marcus 15: 5
* Stilte kan de meest uiteenlopende betekenissen hebben. Ook in de tekst is er sprake van stilte. De vraag die centraal staat, is om welke stilte het in het tekstgedeelte gaat en welke betekenis deze stilte voor ons heeft.
* In de tekst wordt verteld dat er haast wordt gemaakt met het proces aangaande Jezus. De hogepriesters. De oudsten en schiftgeleerden komen samen om een besluit aangaande Jezus te nemen. Het besluit staat intussen van te voren vast: Jezus moet worden omgebracht! Zo wordt Jezus geboeid overgeleverd aan Pilatus. Want hoewel de straf voor het Sanhedrin vast staat, mag het Sanhedrin geen verdere invulling geven aan de doodstraf. Dat wordt overgelaten aan de Romeinse overheid. Om enige kans van slagen te hebben, verwoordt het Sanhedrin de aanklacht zo dat Jezus beschuldigd wordt van het politieke verlangen om koning te zijn. Met de godsdienstige achtergrond van een Messais heeft de heidense rechter Pilatus immers niets. Deze heidense rechter Pilatus moet dus een oordeel vellen. Wanneer Pilatus de Here Jezus voor zich ziet, kan hij zijn verbazing niet onderdrukken. Is deze man de Koning van de Joden?! Hij kan het zich nauwelijks voorstellen! Zo vraagt Pilatus dan ook aan Jezus of Hij de Koning van de Joden is.
* Het antwoord van Jezus is kort. “U zegt het.” Dat is geen ontkenning van de beschuldiging. Jezus zegt dus niet, dat Hij géén koning over de Joden is. Anderzijds bevestigt Jezus in zijn antwoord aan Pilatus ook niet dat Hij wel de Koning van de Joden is. Zijn Koninkrijk is immers niet van deze wereld. Zijn koninkrijk omvat alle volken, jood en heiden. Met het antwoord ‘U zegt het’ legt Jezus de bal terug bij Pilatus. Pilatus moet zijn oordeel geven over Jezus. Maar het is niet alleen een politiek oordeel over Jezus, maar ook een persoonlijk oordeel. Niet alleen Pilatus moet een oordeel geven, maar ook de omstanders. Het Sanhedrin reageert dan ook op de woorden van Jezus door nog meer en andere beschuldigingen in te brengen. Welke beschuldigingen het precies zijn, wordt niet verteld. In elk geval wordt er een stroom aan beschuldigingen over het hoofd van Jezus uitgestort.
* Dan horen we dat Jezus zwijgt in alle talen. Na zijn korte opmerking ‘U zegt het’ wordt het stil aan de kant van Jezus. In deze stilte moet er worden gewerkt door Pilatus. Hij verwondert zich, zoals ook andere zich hebben verwonderd over de wonderen van Jezus. Nu staat Pilatus oog in oog met een gebonden koning. De aardse rechter Pilatus moet oordelen over de hemelse rechter Jezus Christus. In het zwijgen van Jezus gebeurt er van alles bij Pilatus. Wat zal er in zijn hoofd en hart zijn omgegaan in de stilte van dit moment. Ook wij hebben met deze stilte te maken. In de stilte moeten ook wij antwoord geven op de woorden van Jezus. ‘U zegt het’ dat ik de Koning ben. De vraag is heel persoonlijk: kunnen wij zeggen dat Jezus Christus Koning is over ons leven?!
* Maar er is nog iets wat het zwijgen van Jezus fascinerend en wonderlijk maakt. Wanneer Jezus zwijgt op alle beschuldigingen, laat Hij daarmee alle schuld op zichzelf neerkomen. Alle beschuldigingen spreekt Hij niet tegen, maar draagt Hij. Ook alle beschuldigingen die wij tegen Hem uitspreken draagt Hij. Zo vervult Jezus de wet van God, draagt Hij alle geboden. Jezus zwijgt op alle beschuldigingen opdat wij kunnen spreken in eeuwigheid van Gods trouw en genade! Jezus zwijgt opdat Hij onze mond kan openen! Hij is de hemelse rechter, die zwijgt, opdat Hij ons vrijspraak kan schenken van onze schuld. Dat is het grote wonder van het zwijgen van Jezus.
* Na het zwijgen van Jezus spreekt Pilatus over de vrijlating van een gevangene. Maar zijn omweg om Jezus vrij te laten, faalt. Wanneer Jezus zwijgt, spreekt het volk. Pilatus toont zich een democraat om maar geen recht te hoeven spreken. En het volk spreekt tweemaal de woorden ‘kruisig hem!’ De evangelist maakt ons zo duidelijk dat Jezus niet slechts door het Sanhedrin tot de dood veroordeeld en niet slechts door de heidense Pilatus wordt overgedragen om te worden gekruisigd, maar dat het werkelijk de wil van het gehele volk was, dat Jezus wordt gedood aan het kruis. Zijn lijden en sterven is een actie waar Jood en heiden, alle volken en ieder mens bij betrokken is. Ook wij roepen deze zelfde woorden opdat Jezus sterft aan het kruis.
* De stilte van het moment waarop Jezus voor de aardse rechter staat, is de stilte van bezinning voor Pilatus en voor ons. Tegelijkertijd is het ook een stilte waarin Jezus de (be)schuld(igingen) draagt en de wet van God vervult. O Heer, wij kiezen niet voor U, maar Gij, die ons vrede brengt, Gij kiest voor ons, kiest hier en nu, o rechter die ons vrijspraak schenkt!